Windkracht 8

Het is negen uur ‘s avonds en ik ben nog steeds niet klaar met werken. Ik hoop dat het nu snel klaar is want de weersverwachtingen waren niet al te best. Een aanwakkerende wind uit het noordoosten tot windkracht 8 Beaufort. Ik breng nog een paar buisjes naar de koelkast en de vloer onder me begint nu zeer hinderlijk te bewegen. Tot nu toe viel het me niet tegen om in een laboratorium aan boord van een onderzoeksschip te werken maar het geslinger en gestamp begint steeds erger te worden.
De vaste bemanning, doorgewinterde Belgische militairen, lopen onverstoorbaar rond. Dit is hun huis. Niet, zoals ik voorheen dacht, hun werkplek maar hun thuis. Hier zijn al hun spullen, brengen ze het grootste deel van de tijd door en hier zijn ze helemaal op hun gemak. Aan de wal hebben ze regematig een ander leven waar ze meer of minder op hun gemak zijn maar doorgaans voelen ze zich hier prettig. In de loop van de afgelopen week heb ik heel wat verhalen over gestrande relaties gehoord want deze mannnen kiezen toch telkens weer voor de zee.
Ik ben al een paar minuten aan het gapen en zweten maar voor het werk erop zit voor de dag moet ik nog buisjes uit de dekincubator halen. Overeenkomstig de veiligheidsregels vraag ik een collega om met me mee te gaan. In het donker en bij zwaar weer moet je altijd iemand hebben die in noodgeval de knop man overboord kan indrukken. Dat is de beste hoop om een val midden in de Noordzee te overleven want ondanks het reddingsvest wat we moeten dragen ben je ten dode opgeschreven als ze je niet op tijd missen en vinden. Het valt niet mee om alle buizen uit het apparaat op het achterdek te halen en halverwege krijg ik een ijskoude golf over me heen. Het weer is niet meer te vergelijken met het stralende weer wat we eergisteren hadden in Dieppe tijdens de dekbarbeque.
Naast het gapen en zweten begin ik me nu ook draaierig te voelen en als ik me binnen met moeite ontdaan heb van reddingsvest en regenpak ga ik op zoek naar zeeziektepillen. Helaas, ik ben te laat. Ik voel me helemaal niet goed en ga een poosje voor me uit zitten staren in de hoop dat het pilletje zijn werk zal doen. Opeens wordt ik spuugmisselijk en terwijl ik me moeizaam overal aan vasthoudend richting wc begeef vraag ik me af waarom er altijd zo lacherig over zeeziekte gedaan wordt. Eens hoorde ik dat je als je zeeziek wordt eerst bang bent dood te gaan en dat je daarna zelfs wenst dat je snel dood zal gaan. Ik hoop vurig dat ik dat stadium niet ga bereiken. Dat je je met een geleegde maag prettiger zou voelen blijkt een fabeltje want na drie keer lossen voel ik me nog beroerder. Ik besluit dat het met werken is gedaan en zet nog een paar dingen vast om te voorkomen dat ze door het schip heen vliegen. Vlakbij de kombuis hoor ik pannen vallen en de kok komt me tegemoet met opgetrokken wenkbrauwen. “Wat doet gij nu hier?”vraagt hij bezorgd met zijn Vlaamse accent. ‘Ik moest nog iets doen”, stamel ik terwijl mijn spaghettibenen het bijna begeven en een nieuwe golf misselijkheid door me heen spoelt. “Kom maar mee ik ga jou met supelco op kooi stoppen” en hij leidt me als een kind naar bed. Hij duwt me de grootse zetpil in mijn hand die ik ooit gezien heb en zegt “Sterkte.”
De volgende anderhalf uur hebben overeenkomsten met een bevalling: het is vreselijk maar je weet dat het een keer over zal zijn, dus volhouden maar. Na wat lijkt een eeuwigheid komt mijn lijf tot rust. Ik kijk uit de patrijspoort en zie een betoverend schouwspel. De zee licht. Alle schuimkoppen die ontstaan en vervagen hebben een magische lichtgroene gloed. Ik leg mijn kussen voor het raampje en terwijl ik me vasthoud om niet uit mijn kooi te rollen bedenk ik dat ik deze vaartocht niet had willen missen.

vorige column
archief