Broodje Aap

Ik zit met mijn Indiase kamergenoot geschrokken te staren naar de menukaart. Ik zie gegrilde filet van springbok, struisvogel en krokodil en mijn eetlust vermindert met elke regel die ik lees. Wat had ik ook verwacht van een traditioneel restaurant middenin Kaapstad? Aarzelend kies ik een stukje gegrilde geelstaartvis.
Het is mijn vierde dag in Zuid Afrika en zelden ben ik op een plek geweest met zoveel tegenstellingen. Ik landde op een modern vliegveld en werd opgehaald door een medewerker van het congres wat ik hier bezoek. Het schijnt dat je beter niet op eigen houtje de stad kan verkennen.
De auto reed in de richting van de Tafelberg over een ruime vierbaansweg afgezet door twee meter hoge schuttingen. Pas na een tijdje viel het me op dat achter de kaarsrechte schutting krottenwijken schuilgingen. Terwijl mijn medereizigers babbelden over hun vliegreis keek ik stilletjes naar de ontelbare hutjes en hokjes. Toen we over een heuveltje kwamen kon ik Mandela’s Robbeneiland in de zee zien liggen en verrees voor ons een stad met wolkenkrabbers die evengoed in Amerika had kunnen liggen, ware het niet dat de Tafelberg er hoog bovenuit torende.
Ik werd afgezet bij een hotel waar ik een eenvoudige kamer kreeg en besloot om meteen maar naar het congres te wandelen omdat ik de openingssessie waarschijnlijk al had gemist. Een bezorgde receptionist waarschuwde me om binnen een kwartier na sluitingstijd van de winkels binnen te zijn. Dapper stapte ik de straat op en na enkele minuten in het zonovergoten Kaapstad met betoverend vriendelijk glimlachende mensen was ik al snel mijn Assepoesterachtige tijdswaarschuwing vergeten. De congresruimte waar vele anti-apartheidscongressen met wereldleiders zijn gehouden was van een luxe die in schril contrast stond met de shanty towns die ik achter de schutting gezien had.
Na een drukke dag werden we met taxi’s vervoerd naar het uitgaanscentrum aan de haven favoriet bij het welvarende deel van de bevolking. Samen met een stel Ierse collega’s besloten we te gaan eten op een terras aan het water. We waren al op weg naar een tafeltje toen we vriendelijk maar zeer beslist werden tegengehouden met het verzoek om de inhoud van onze tassen te laten inspecteren. Voor we bijgekomen waren van verbazing werd ons lichaam ook nog gescanned met een metaaldetector en werd ons vervolgens een prettige avond gewenst.
Welkom in Kaapstad.
De laatse dagen hebben mijn kamergenoot en ik ons steeds aan de regels gehouden maar nu waren we het beu om steeds per taxi vervoerd te worden na vijven. Het is ook knettergek om op een prachtige voorjaarsavond niet door een zonnige stad te kunnen lopen en in een kamer zonder balkon opgesloten te zitten. In de lobby ontdekten we een folder van een Afrikaans restaurant twee straten van ons hotel af. De behulpzame receptionist verzekerde ons dat het een perfect eethuis was en belde ongevraagd de bewaker van het hotel om ons naar het restaurant te escorteren.
Een beetje opgelaten wachtten we op de bewaker. Ik stelde me een breedgeschouderde blanke mannetjesputter voor a là Amerikaanse politiagent met uniform maar een donkbruine slungelige jongen van een jaar of zeventien liep op ons toe en zei: “Shall we go my ladies?” Na de verukkelijke vismoot zullen we onze puber opbellen om te melden dat we weer naar het hotel terug willen. Ik pieker er niet over om samen met mijn kamergenoot zelf maar de weg terug te wagen naar het hotel. Meerdere collega’s zijn inmiddels van hun creditcards ontdaan en mijn collega en ik zijn eergisteren een stukje gevolgd door twee mannen waardoor we maar snel een taxi hebben aangehouden. De verhalen over de veiligheid van Kaapstad die ik voorheen als broodjes aap beschouwde lijken maar al te waar. Ik vertrouw graag op onze begeleider. Fysiek stelt hij niet veel voor maar hij is onze vrijgeleide door de Afrikaanse stadsjungle waar straatbendes hun eigen codes naleven.

vorige column
archief