De grote wedstrijd
Ik weet nog goed hoe mijn vader met een serieus gezicht op een avond op mijn bedrand kwam zitten om iets met me te bespreken. Ik was toen een jaar of zestien en behoorde in mijn klas tot de alternatievelingen die niets van disco moesten hebben. In die tijd droeg ik vaak een harembroek en een shirt met daarop buttons waarop stond hoe het niet moest met de wereld. Weg met de bom, weg met de kernenergie, ik was ervan overtuigd dat de maatschappij met een beetje goede wil ingrijpend zou kunnen veranderen. Ik was benieuwd wat mijn vader te zeggen had.
"Ik weet niet goed hoe ik moet beginnen maar ik wou het graag met je hebben over de grote wedstrijd tussen de meisjes," begon hij, en ik had geen idee waar hij het over had. Na een poosje begon het me te dagen. Mijn vader zou het wel leuk vinden als ik een beetje meer interesse aan de dag zou leggen voor mijn uiterlijk. Hij probeerde me duidelijk te maken dat je uiterlijk mee kan spelen in het al dan niet thuis horen in een groep. Ik begreep het maar al te goed vader, alternatievelingen hoorden in mijn ogen geen make-up te gebruiken. Veel te overdreven en wat te denken van al die proefdieren die tegen hun zin besmeurd waren om te voorkomen dat ik jeuk op mijn oogleden zou krijgen?
Ik ging biologie studeren en daar tussen de armlastige medestudenten voelde ik mij uitstekend thuis in mijn slobbertruien en vormeloze broeken. In de wedstrijd tussen de meisjes (die natuurlijk ging om het versieren van een jongen) speelde kleding wel een rol maar niet op de manier die mijn vader vroeger gewend was. Zelfs na mijn studie was er weinig aanleiding om mezelf op te tutten. Ik kocht af en toe iets feestelijks voor speciale gelegenheden maar dergelijke outfits bleven keurig in de kast hangen omdat in het laboratorium waar ik werkte de gaten van het zuur ondanks de laboratoriumjas spontaan in kledingstukken bleven opduiken. Bovendien, de enige dames in het bedrijf die zich wel optutten waren de secretaresses en daar wilde ik als academicus natuurlijk niet voor worden aangezien.
Met de komst van de kinderen las ik regelmatig in damesbladen dat het dodelijk voor het huwelijk zou kunnen zijn als de vrouw des huizes er afgetobd en slonzig uitziet. Je moet tenslotte je man blijven bekoren en wat nu als hij er met een opgetut jong blaadje vandoor zou gaan? Ik had het veel te druk met mijn baan en gezin om me iets van de goede raad aan te trekken en ik was al lang blij als ik erin geslaagd was om zonder kwijl en spuugvlekken op mijn schouder de werkvloer te betreden.
En toen kwam plotseling de dag dat ik ging solliciteren bij bedrijfskunde en per ommegaande werd uitgenodigd voor een gesprek. Zelfs ik kon op mijn klompen wel aanvoelen dat kleding er nu wel toe deed. Opgetut overleefde ik de eerste ronde in kleding van mijn moeder en werd aangenomen na een tweede gesprek in de kleding van mijn buurvrouw. Nu moest ik er wel aan geloven!
En zo ging ik de dag voor mijn eenenveertigste verjaardag voor 't eerst naar de schoonheidspecialiste. De paar haren die ik per week uit mijn hoofd trok om te voorkomen dat er zich een weelderige snor zou ontwikkelen op mijn bovenlip waren niets vergeleken bij de hoeveelheid die ze binnen vijf minuten uit mijn wenkbrauwen trok (au!). Daarna kreeg ik een uur les in opmaken onder grote hilariteit van de dames die maar niet konden geloven dat mijn gezicht afgezien van mijn trouwdag nog nooit in contact was geweest met foundation en nacht- of dag-crèmes. Vervolgens spendeerde ik de rest van het maandsalaris aan nieuwe kleding, schoeisel en voorgevormde borstenhouders zodat ik, lieve papa, nu iedere werkdag gekleed ben alsof ik naar een feestje ga.
vorige column
archief